Auteursarchief: Joke Portegies

Investeren in goede en verantwoorde zorg

Ik ben géén zwevende kiezer. Ik weet duidelijk wat ik wil en ik zal dat straks ook zeggen. En niemand hoeft het met mij eens te zijn. Het is ook niet aan mij om een ‘stemadvies’ uit te spreken. Sterker nog: ik maak mijn overweging kenbaar én de consequenties die daaraan hangen en daar moet ieder lekker zelf mee doen wat hij wil.
Maar ik wil wel dit kwijt.

Ik heb de afgelopen drie/vier weken bijna dagelijks een column geschreven omdat ik mij zorgen maak over de zorg. Mijn columns zijn niet ‘nieuw’ maar bevatten wel nieuwe casuïstiek. Niet nieuw omdat bepaalde thema’s vaker door mij aangehaald zijn de afgelopen jaren. In ‘open brieven’ aan Van Rijn, in columns op facebook of op mijn eigen site; en meer. Soms met wat teleurstelling (‘waarom luistert niemand’) en soms met tevredenheid omdat ik zag en zie dat mijn columns aanleiding geven tot discussie en soms (ja heel soms) mensen bereiken die ‘ertoe doen’. Mijn laatste coluns zijn soms door meer dan 700 personen gelezen.

Kern van mijn columns is dat ik vind dat de (snelle) invoering van de WMO en de opheffing van de AWBZ tot grote negatieve consequenties leidt én kern is dat ik de ‘marktwerking’ en de posities van de Zorgverzekeraars hekel. En veel van mijn info is dáár weer uitvloeisel van: het ‘ge-pingpong’ met cliënten tussen WMO en ZVW en het gruwelijke wantrouwen van financiers aan zorgaanbieders.

Als je vanuit DAT perspectief kijkt naar hoe de politiek met deze thema’s omgaat, dan weet ik (voor mij) één ding zeker: het gedachtengoed van de SP (waarmee ik het overigens níet eens ben w.b. de pensioenleeftijd (65)) komt het dichtst bij wat ik betoog. Ik besluit dan ook mijn ‘oude partij’ de SP trouw te blijven en opnieuw daarop te stemmen. Niet omdat ik het met ‘alles’ eens ben maar om twee redenen:
1. Ik wil aanleunen tegen het linkse spectrum. Hoe zwaarder links hoe beter.
2. Zoals gezegd: de opvattingen van de SP over de zorg.

Wat ik echter NIET wil (en daarom noem ik dit geen stemadvies) is ‘versluierend zijn’. Zelfs de SP is dat enigszins volgens mij. Het kán niet zo zijn dat we hersteloperaties doen in de zorg ‘zoals het was’ en dat dit budgetneutraal kan. Hiermee zeg ik dat ALS je wil dat het voor nu en in de toekomst beter gaat in de zorg (humaner, socialer, minder wantrouwen, minder winstbejag etc.) er een prijskaartje aan hangt. Je stem laten horen in die richting is (in mijn beleving) accepteren dat we als BEVOLKING weer meer gaan investeren in goede en verantwoorde zorg; en dat we ook bereid zijn (deels) de prijs daarvoor te betalen. Enerzijds door politieke keuzes te maken; anderzijds misschien wel letterlijk door dit in onze portomonnee te voelen.

Mijn ‘hang’ naar verantwoorde, sociale, goeie zorg is zó groot dat ik het ervoor over heb; en dan ook ‘tot op het bot gemotiveerd’ SP zal stemmen. Doe mee! (o nee, dat zou ik niet doen…)

Lichaamstaal

Voor de goede orde: ik kan het niet en ik doe het niet. Ja, ik kan best aardig kakelen voor publiek, maar ik zou geen goeie politicus zijn. Zo’n jong ventje als Jesse Klaver zó makkelijk overal op reagerend: knap hoor! (Ik ga overigens niet op hem stemmen, maar dat terzijde)

Soms denk ik wel eens dat het er rondom de verkiezingscampagne niet zo erg toe doet wát iemand zegt; als je maar lekker gebekt bent, vlot praat en vooral anderen een loer kunt draaien.
En mede door deze gedachte én een uitzending gisteren over de rol van de media moest ik ineens hier aan denken:

Weet u nog hoe onze grote vriend Ad Melkert als een natte pudding in elkaar zakte toen hij door Pim Fortuyn de les werd gelezen? Ik ben nooit een PF-aanhanger geweest (in tegendeel) maar in dát beroemde debat zat Melkert als een natte drol op zijn stoel.

Herinnert u zich nog de rol en positie van Job Cohen? Een zéér gewaardeerd man, wat mij betreft. Maar hij kón het niet. In het t.v.-programma kwam het interview met Twan Huys terug en JC kwam niet verder dan een stamelend Ehhh…. eehhh… bij een gruwelijk gebrek aan feitenkennis óf bij gebrek aan lef om het uit te spreken.

En dát deed mij weer denken (niet in dat programma getoond…) aan onze Staatssecretaris Marin van Rijn; en hoe hij erbij zat in het programma De Wereld Draait door; toen hij de oren gewassen kreeg over misstanden in het verpleeghuis. Ook Van Rijn zakte toen als een nat zakdoekje onderuit en toonde qua ‘lichaamstaal’ het charisma van een bedorven spruitje.

Lichaamstaal is ‘verraderlijke taal’. Het laat ALTIJD zien wat er in je om gaat en overruled altijd de inhoud van je boodschap. Toegegeven: de één kan het beter verbergen dan de ander; en de éne ontvanger heeft er een betere antenne voor dan de ander: maar je eigen lichaamstaal valt niet te verloochenen.

En wéér moet ik aan Van Rijn denken. En aan mijn columns. Aan het artikel in NRC waarin de ‘tien blunders van Van Rijn’ worden opgesomd. Ik moet aan Van Rijn denken als de man die niet op mijn brieven reageerde maar wél mijn tekst citeerde in een brief aan de tweede kamer. Ik moet VOORAL aan Van Rijn denken nu hij recent in een krantenartikel liet optekenen dat er ‘veel is om trots op te zijn’; en hierbij doelde hij rechtstreeks op de onder zijn verantwoordelijkheid tot stand gekomen veranderingen in ‘zorgland’. Jammer alleen dat het een krantenartikel was. Ik had het hem wel eens ‘live’ willen zien zeggen. En dan zou ik (weer) benieuwd zijn naar zijn lichaamstaal.

Hoe kun je met droge ogen beweren dat je veel bereikt hebt! Behalve dan het met VVD-blik je PVDA-rol vervullen en alléén maar naar het slotsaldo kijken en niet naar de inhoud en kwaliteit.
Ik schreef het eerder: de zorg in Nederland is GOED. Zeker in vergelijking met elders. Maar de zorg in Nederland is ook ‘in de war’. Veel verschil in rechten en mogelijkheden. Veel onduidelijkheid. Veel onvrede bij de ‘werkers’. Veel toekomst-angst. Veel meer verwarde mensen op straat. En véél, véél meer van die achterlijke administratieve verplichtingen om het ‘basis-wantrouwen’ tegemoet te moeten treden. Eigenlijk vind ik het best wel een zielig mannetje.

Lopen op een flinterdun koordje

Wel vaker heb ik gezegd ‘wij zijn ons eigen instrument’. Je hebt in de zorg geen ander ‘gereedschap’ dan wie je bent. Met je kennis (of niet), je invoelend vermogen (of niet) en je incasseringsvermogen (of niet) Daarmee moet je het doen.

Dat maakt het soms ingewikkeld. Zoals bekend besteed ik veel aandacht aan ‘opvang en nazorg bij hulpverleners’ vanuit de overtuiging dat hulpverleners (brandweer, politie, ambulance) maar ook ‘zorgwerkers’ dezelfde risico’s lopen: je kunt iets traumatisch beleven in je vak waar je ‘last’ van krijgt. De gangbare theorie is dat PTSS een gevolg is van een ernstig onverwerkt trauma; en een trauma is dan iets wat je beleeft, overkomt, ziet. Iets naars. Een agressie-incident. Iets met dood en bloed en zo…

De verschijnselen van burnout lijken verdraaid veel op die van PTSS en steeds sterker wordt de opvatting dat hier hetzelfde fenomeen aan ten grondslag ligt: een reeks van ‘kleinere’ kwetsingen geeft hetzelfde gevolg. Je geliefde bewoner overlijdt, je schiet tekort bij een hulpvraag, je draagt nét ff te vaak de somberheid van je depressieve klant in je… allemaal verschijnselen die ‘vreten’ en die je emotionele weerbaarheid aantasten.

Daar tegenover staat het begrip veerkracht. Dat is niet slechts het vermogen weer ‘op te veren’ na een kwetsing. Nee veerkracht is het geheel aan ‘menselijke mogelijkheden’ om zichzelf weer weerbaar te maken. Opvang hoort daarbij, maar ook ontspanning, sport, voeding, levensstijl etc. Met andere woorden: in veerkracht kun je investeren en dit maakt je weerbaarder bij krenkingen.

Belangrijk voor de menselijke weerbaarheid in hulpverleningssituaties is dat je ook vanuit een stevige beroepsidentiteit werkt. Of ik het goed uitleg weet ik niet, maar met beroepsidentiteit bedoel ik dat je wéét wat je doet, dat je weet waaróm je het doet; dat je de juiste reacties en waardering ervoor krijgt, dat je gesteund wordt, dat je enige bestaanszekerheid in je werk hebt en dat je enigszins voor (onterechte) kritiek wordt beschermd.

In eerdere columns schreef ik al dat mijn grootste zorg om de zorg op dit moment de ‘aantasting van de moraal’ is. Men weet het niet meer, en ambitie en motivatie gaan verloren.
Het is NIET goed voortdurend te werken in een sector die negatief in het nieuws is, die ‘bedreigd’ wordt met bezuinigingen, die last heeft van onduidelijkheden en die inzet is van een schimmig politiek spel in de overtuiging dat er uiteindelijk toch niets zal veranderen.
We hekelen de administratieve lastendruk maar als we het niet doen hebben we een problem.
We hekelen de onduidelijke opsplitsing in ZVW en WMO maar als we er niet naar handelen gaat onze baas failliet.

We lopen in zorg en welzijn op een flinterdun koordje waar creatief, autonoom, holistisch en enthousiast werken door EXTERNE factoren genadeloos wordt ontmoedigd.
DAAR gaat de (politieke) discussie over, meneer Roemer, Wilders, Asher en de rest. Geld? Graag. Duidelijkheid en ongecompliceerd vertrouwen in zij die gemotiveerd dit werk willen doen: ja 100 x graag!

Het zeehondjes-effect

Ooit, in een vorig leven, schreef ik een prikkelend artikel in de krant over het ‘zeehondjes-effect’. Hierbij verwees ik naar de ‘volgorde van sentimentele ontvankelijkheid’ (dit verzin ik nét!) van berichten en foto’s in de media.

Kleine kinderen in de categorie ‘zielig’ doen het altijd goed.
Iemand met een verstandelijke beperking, en dan met name een enigszins fotogenieke jongedame met Down-syndroom dat wil ook nog wel.
Een zeehondje wat met zijn bolle oogjes omhoog kijkt vlak voor het wordt doodgeknuppeld spant de kroon. Portemonees gaan open, sentimenten vloeien.

Op dit moment buitelen politici over elkaar heen in het ‘scoren’ rondom de zorg. Immers, er is nog maar minder dan één week te gaan en de stemmen moeten binnengesleurd worden.

De zorg scoort dan ook hoog in alle debatten, en de media-uitingen daarvan zijn doorspekt met foto’s van zieke kindertjes, mevrouwen met MS in een rolstoel en keutelige demente ouderen.

Er worden ook mooie termen gebruikt: “Waardig oud worden”. Niemand weet wat het is (het CDA heeft het over respect, de PVV over goede zorg en D66 legt een link tussen ‘waardigheid’ en netjes en op tijd dood gaan….) maar er druipt wat mij betreft een politieke correctheid vanaf waar je eng van wordt.

Jaja, ik weet dat ik cynisch ben en dat doe ik expres. Ik wil graag prikkelen.

Waar ik echter mee werk (niet sinds gisteren maar al 42 jaar) en met mij velen, is een categorie die ‘stuk is in het hoofd’; die psychiatrisch patiënt zijn geworden en dat al zo lang zijn dat er geen herstel meer te behalen is. Liefst een beetje LVB erbij.

En als gevolg daarvan te veel roken, te veel drinken, te veel geld uitgeven, zich niet goed verzorgen, ‘teren’ op de zak van anderen, chronisch somber zijn of geen uitweg meer zien; angst voor het leven hebben, géén gezellig gezelschap zijn en al jaren verkeren in een poel van ellende. “De onderkant van de samenleving” noemen we dat ook wel, maar zelfs die term is te netjes.

In het schriller wordende contrast tussen arm en rijk en het steeds meer ‘aan hun lot overlaten’ van mensen die zorg behoeven (door het ondoorzichtig en onbereikbaar te maken) GROEIT de groep waarover ik zojuist sprak.

Daar horen we politici echter niet veel over. Zélfs niet als er weer in de krant staat dat de politie meer incidenten heeft op moeten knappen. En waarom?

Het bekt niet lekker. Een junk is geen ‘gezellig oudje’. Een langharige defect-schizofrene zwerver is geen ‘leuk mongooltje’. (Ik verzin het niet hoor…) en een LVB-cliënt met een ton schuld is geen reclamebord voor je politieke partij.

Het is wel dé groep die de komende jaren triester en ongelukkiger wordt én prominenter aanwezig zal zijn. En daar kan geen ‘gezellig oudje’, nee zelfs geen zeehondje tegenop.

Hoe lossen we schuld op?

Vandaag in het nieuws: mensen met ‘problematische schulden’ krijgen een time out van een half jaar om orde op zaken te stellen. Een goed initiatief!

Hele discussies kunnen we hieraan wijden. Hoezeer betreft het ‘eigen schuld’ als we van schulden spreken? Hoe verwijtbaar is het om in de schulden te geraken.
Ingewikkelde materie, en maar al te vaak zie ik dat mensen ‘schuldenaars’ het verwijt maken er ‘zelf voor gezorgd te hebben’ met de toevoeging ‘los het dan ook zelf maar op’.
Natuurlijk zit daar wat in. Althans, voor een deeltje.

Van het huidige cliëntenbestand waar ik mee werk heeft 80% financiële problemen en meer dan de helft daarvan ‘problematische schulden’. En het malle is, dat als er intensief aan gewerkt wordt (bijvoorbeeld door bewindvoering en een zakgeldregeling) worden er nog steeds rare keuzes gemaakt: Vijftig euro per week te besteden, waarvan twintig aan roken, tien aan bier, tien aan hondevoer…en met een beetje geluk biljft er nog een grijpstuiver over voor een broodje kaas.

Dit maakt dat je ‘geld-ellende’ ook een beetje als een soort ziekte kunt zien. Sommige mensen kúnnen het simpelweg niet en/of is geldproblematiek één op één verweven met psychiatrische problematiek of andere beperkingen.

Maar ook dit is goed te weten: in 2009/2010 (de crisis klom naar zijn hoogtepunt) was er een toenemende claim op de daklozenopvang. Doelgroep: mannen (98%) met ‘voorheen’ nog een baan, ‘voorheen’ nog een huwelijk, ‘voorheen nog een huis’.
Crisis: baan kwijt, vrouw kwijt, huis kwijt. In die volgorde en in noodtempo. En dat waren voor een aanzienlijk deel óók hoog opgeleide mannen met -voorheen- een goede baan.

De ellende met schuldenproblematiek is dat het bijna kwadratisch toeneemt nog voor je met je ogen kunt knipperen. Deurwaarders en schuldeisers hebben geen boodschap aan een emotioneel verhaal en zonder blikken of blozen verdubbelen of verdribbelen ze de oorspronkelijke schuld.

Leidt schuldenlast tot uithuisplaatsing of dakloosheid dan is er nog een probleem bij: zonder écht adres géén registratie, geen inkomen, niets.
Los van de vraag ‘wie is er schuldig aan schuld’ is de belangrijkere vraag natuurlijk: hoe lossen we het op? Want laat één ding duidelijk zijn: uiteindelijk valt van een kale kip niet veel te plukken dus alle partijen zijn erbij gebaat in een vroeg stadium orde op zake te stellen en een beginnende schuld niet te laten exploderen.

Ook hier weer is, net als in vele andere collumns van mijn hand, het credo: communicatie en afstemming. Alleen al over de vraag of financieel-administratieve hulpverlening nu een ‘welzijnsactiviteit’ is of een ‘algemene voorziening’ of een ‘vrijwilligersactiviteit’ of tóch een door de WMO-gefinancierde begeleidinsgactiviteit is óf (tot slot) een dure bewindvoerdersactiviteit: per individu en per gemeente wordt ook dit verschillend ingevuld. Eén ding mag je aannemen: de cliënt wie het betreft heeft het overzicht niet en weet niet waar aan te kloppen met zijn ellende. Sterker nog: die laat de envelopjes bij voorkeur dicht om het -vooral- niet te hoeven weten.

Mijn pleidooi: integrale aanpak en éénpartij regie. Zowel bij de partij die de ‘psyche’ ondersteunt en het dagelijks leven begeleid.

Sprookje

STEL JE BENT BAKKER EN JE BAKT BROOD.

En iemand zegt je dan: ik koop dit jaar voor 1000 euro aan broodjes bij jou; dagelijkse afname; voor ehh…. een schoolklas. Ik betaal jou 1000 euro maar dan moet je wel beloven dat je niet stopt met die levering van broodjes.

Een mooie deal. Maar wat blijkt: er komen ineens veel méér kinderen in die klas dan vooraf op gerekend was. Meer en meer. En in de loop van het jaar maak je véél meer dan voor 1000 euro broodjes. Wat zeg ik? Bijna het dubbele! Want je had immers de deal dat je niet mocht stoppen met levering. En de opdrachtgever betaalt aanvankelijk keurig… dus iedereen blij. Vooral de kinderen op die school, want die waren het er over eens: dít waren goeie broodjes!

Onderhand probeer je wel telefonisch, schriftelijk, per brief, mail én zelfs door erheen te rijden, met de opdrachtgever in gesprek te komen. Maar de opdrachtgever is daar niet voor in. Of hij antwoordt helemaal niet. Of hij geeft een signaal af van ‘ik heb geen tijd om met kleine bakkertjes te praten’.

Je wilt toch graag in gesprek want het ‘knelt’: je moet doorleveren maar het plafond is bereikt. Dat zijn twee tegenstrijdige zaken! Maar omdat de opdrachtgever keurig betaalt ga je ervan uit dat het wel goed komt. Vooral omdat de broodjesminister zegt: ‘Regels zijn goed, maar de klanten gaan vóór! De klant eerst, geld komt vanzelf wel!’
Nou, als de minister het zegt dan zal het wel zo zijn!

En toen was het jaar om. En kwam de opdrachtgever naar je toe.
“Beste bakker, u hebt voor 2000 euro aan broodjes geleverd; maar we hadden 1000 euro afgesproken. Dus het deel wat door ons teveel betaald is willen we onmiddellijk terug hebben”. Je probeert het nog: “Maar we móesten toch doorleveren? Wij wisten toch ook niet dat er twee keer zoveel leerlingen zouden komen?” Maar de opdrachtgever is onverbiddelijk: contract is contract en hoe je dat doet met die doorleverplicht zoek je zelf maar uit!

Sterker nog: er gebeurt nóg iets! De opdrachtgever gaat, zonder dat hij het vooraf goed duidelijk heeft gemaakt, ineens aangeven dat hij het eigenlijk wel erg luxe broodjes vond. “Deze broodjes hadden bést voor de helft gemaakt kunnen worden!” is zijn opvatting (achteraf!) En als jullie een grote bakker waren geweest, en aan tien scholen hadden kunnen leveren, dan was het óók goedkoper geweest! “Ja maar… de kwaliteit is wel hoog gewaardeerd” probeer je als bakkertje nog…. maar ook dáár heeft de opdrachtgever lak aan. Sterker nog: je kunt je verhaal niet eens kwijt. En weer is de opdrachtgever onverbiddelijk: Hij eist de helft van het overeengekomen budgetbedrag terug wegens ‘onvoldoende doelmatig geproduceerde broodjes’.

En zo begon het bakkertje met een contract voor 1000 euro, leverde voor 2000 euro en moet nu 1500 terugbetalen. Een jaar lang werk voor niets; ja wél tevreden klanten (‘goed geregeld, opdrachtgever!’ zeggen zij) maar een schadepost die je als klein bakkertje nooit kunt overleven.

Dit is een IDIOOT SPROOKJE en dit kan niet waar zijn! Toch?

Nee…. dit kan niet waar zijn. Zulke deals met zulke bakkertjes bestaan niet! Het is ook te idioot voor woorden! Vooral niet geloven!

Nou ja, behoudens dit dan: Bij bakkertjes bestaat dit niet; maar in ‘zorgland nederland’ kan het wel! Dit is de werkelijke praktijk tussen ‘opdrachtgever’ de zorgverzekeraar en ‘bakker’ de kleine thuiszorgorganisatie. En dan is het ineens géén sprookje!

Regie en regelruimte

In 2005 was er ergens een ernstig geval van kindermishandeling met de dood tot gevolg. Vanuit CIZ Leiderdorp had ik daarover een vergadering bij de Gemeente Alphen. En toen werd de volgende situatie geschetst: Gezin. Vader zonder werk. Alcoholmisbruik. Agressiedoorbraken. Oudste zoon (16) LVB en begeeft zich op het criminele pad. Dochter, 14, is stil en somber. Vermoeden is dat ze onder invloed van ‘foute jongens’ verkeert. Moeder komt de deur niet uit. Doet ze dat wel, dan poeiert haar man haar in elkaar. Sinds de laatste keer ligt ze met ernstige rugklachten in bed. Jongste zoon, een nakomertje, nu 6, ontwikkelt zich niet goed en is (te) veel thuis.
 
Wie komen hier zoal bij kijken? Ik ga een (reële) opsomming doen; en zet dan in uw gedachten er steeds de zin “Maar ze weten het niet – goed – van elkaar”.

De Huisarts. De tandarts. De schoolarts. De school zélf. De vertrouwensarts. De leerplicht-ambtenaar. Het ‘veilige huis’. De reclassering. Justitie. Het CIZ. De gemeente, afd. WMO. Het UWV. De gemeente, afd. bijstand. De GGZ-behandelaar. CJG. Een jeugd-behandelinstituut. Een ‘begeleidingsorganisatie’. Thuiszorg. De huishoudelijke hulp. De voedselbank. De wijkagent (‘wijkregisseur’). De woningstichting. MEE. Maatschappelijk werk. De…. de….
In 2005 riepen we in koor:

“Eén probleemgezin, één plan, één regisseur”. Dáár moest de oplossing in liggen!

In 2013/2014 (opmaat naar de WMO) werd dit de slogan waarmee onze regering de gemeentes opporden hun verantwoordelijkheid te nemen.

Het is nu 2017. Ik zie héél goede voorbeelden. Maar ook heel slechte. We zijn er, wat dat betreft, nog láng niet. Soms zelfs wordt ‘samenwerken’ ontmoedigd. Een soort ‘landjepik’ waarbij de partij die begeleiding geeft ook stiekem wat huishoudelijke klusjes doet (wat niet mag) en waardoor de WMO-ambtenaar de ‘beschikking’ overdraagt aan een schoonmaakbedrijf (die geen verstand heeft van begeleiden maar héél goed kan opruimen).

Overdaad is niet goed. Maar ‘regie’ en ‘regelruimte’ (regelvrijheid) zijn strikt nodig. Mijn mening is dat de gemeente niet de rol van ‘één regisseur’ op zich moet nemen maar dit aan deskundigen moet overlaten; maar het als gemeente wél goed faciliteert!

Die jutezak moet een bed worden

Vandaag twee korte casussen. Eén die weer lekker belachelijk is (maar reëel) en één die leuk is om te vermelden. Zullen we die voor het laatst bewaren? Sluit je toch af met een goed gevoel…

Oké, casus 1. We noemen hem ‘Okidoki’. Zijn echte naam lijkt er verdacht veel op. Afkomstig uit Ghana. In Nederland terechtgekomen. Hij kan het zelf niet uitleggen. Laag IQ. Hij rookt net zoveel stuff als ik karnemelk drink. Als het ‘peace-teken’ nog niet bestond zou hij het hebben uitgevonden. “Ja man…komt goed man…”. Dakloos. Maar ritselt met twee krantenwijken zijn maandloon bij elkaar. Via de ‘nachtopvang’ die tegenwoordig door mijn oude Amsterdamse werkgever in Haarlem beheerd wordt beland hij in het huis van een huisjesmelker in X, een dorpje nabij. Met zijn rasta-ragebol verstopt in een gebreide muts ligt hij óf op bed hasj te roken óf hij fietst (hasj-rokend) zijn krantenwijkje bij elkaar. Met nogal wat duw- en trekwerk knijpen we er een indicatie van (jawel!) één uur per week uit om hem op zijn levenspad te begeleiden. Dat gaat cool…

Ineens wordt ik gebeld. Door een paniekerige ‘bijstandsambtenaar’ van gemeente X. Hoe wij het toch in ons hoofd haalden om meneer Okidoki ‘zomaar’ en ‘zonder iemand erbij’ naar hem toe te laten gaan. Wat was het geval? Okidoki ging bijstand aanvragen, maar was, omdat het zo lang duurde, met zijn hoofd op zijn armen in slaap gevallen op het bureau van de bijstandsmeneer. Wat nu te doen? Mij schoot maar één advies te binnen (het was immers een kleine gemeente): “Meneer de bijstandsman, loopt u in die lommerrijke gang van uw kantoortje twee deuren verder naar uw WMO-collega en vraag haar waarom wij meneer Okidoki maar één uur per week mogen begeleiden. Alleen om U verdere schrik te besparen zou twee uur al gerechtvaardigd zijn….”

Maar ik had er nog een…en dan heb ik het over Barka. Turkse man. Lichte paranoïdie (voor de goede verstaanders: een pathologische vorm van achterdocht) en een bescheiden IEKUUTJE. Bij 70 stopt het wel zo’n beetje. Dakloos geworden door schulden die ontstaan zijn als gevolg van ‘tanken zonder betalen’. Niet door hém. Maar wel door iemand in zijn auto. Niet twee keer, of tien… maar meer dan honderd. Onder zijn naam is half noord-holland gratis van brandstof voorzien. Drie jaar op straat, twee jaar daklozenopvang (waarbij wij sámen met het daklozenopvanginstituut mochten samenwerken) en nu… een eigen huurwoning. Oke oke, slapen op een oude postzak (want verder heeft hij nog niets) en gelukkig wist ik privé nog een magnetron/combi-oven te scoren … kun je toch een mooie start maken. Mooi! Klus geklaard. Barka is onderdak. Zelden iemand zó gelukkig gezien!

En nu maar hopen dat meneer-de-WMO niet zegt ‘klus geklaard dus… einde begeleiding!’ Want nu komt het erop aan. Die jutezak moet een bed worden; de magnetron gevuld; speuren naar werk; katvangers en schuldeisers weren en dan … heel langzaam… werken aan contactherstel met zijn familie; waar hij uit schaamte mee gebroken heeft. Acute nood (dakloos bij slecht weer…) is geledigd; nu weer een menswaardig bestaan opbouwen. Met pakweg 2, 3 uur begeleiding per week moet je daar tóch een jaartje voor uittrekken. Minstens.

Betrokkenheid

Vandaag een korte column: vandaag meer tijd besteden aan de zorg voor cliënten dan erover schrijven…. Wel linkte ik net een bericht aan op facebook van een ‘vermiste man’ gevonden ‘tussen het afval in zijn huis’. (zie Telegraaf d.d. heden) Overigens schokkend te lezen hoeveel ‘gekke’ en beledigende reacties er op zo’n artikel losbarsten. Soms grappig bedoeld, maar soms ook wel érg cynisch!

En dat brengt me tot het thema ‘betrokkenheid’. Want humor vond ik het niet…. vorige week trof ik een WMO-consulente aan die op huisbezoek kwam bij twee -samenwonende- cliënten die na een langdurig traject ontsnapt waren aan jarenlange dakloosheid, oplopende schulden en sociale malaise. In het gesprek kwam hun financiële situatie ter sprake: veertig euro per week (voor beiden!) om in het levensonderhoud te voorzien. De ‘voedselbank’ kwam ter sprake. En halverwege het gesprek (ken je dat gevoel?) bekroop mij het idee dat er iets niet klopte. Dat we, net als in de scetch van André van Duin waarin een ‘stroper met koekoeksklokken een café binnen komt’ (zie youtube) volledig langs elkaar heen aan het praten zijn.

Het kón niet anders: ik moest haar de vraag stellen wat háár beeld was bij ‘de voedselbank’. En ja, toen kwam het eruit. De WMO-consulent die beslist over omvang en inhoud van de begeleiding aan mensen met LVB- en GGZ-problematiek die onderaan de maatschappelijke ladder bungelen, had het idee dat de ‘voedselbank’ een soort REGELING met de bank was waardoor je GELD KREEG en dat je dat aan ETEN KOPEN kon uitgeven en dat je een soort KREDIET ontving zodat je altijd van eten GEGARANDEERD was. Hoe krijg je het verzonnen…
Ze had er wérkelijk geen beeld van dat cliënten wekelijks naar het wijkcentrum togen om onder strenge voorwaarden hun (op zich lovenswaardige) portie ‘over-datum’ groente en drie aardappelen konden ophalen.

Hoe weerbarstig kan de werkelijkheid zijn ten opzichte van de beeldvorming. En wéér denk ik aan mijn herhaalde aanbod aan mevr. Schippers: spring nou ’s achterop de fiets bij me en kom ‘zien en ruiken en voelen’ hoe de onderkant van de samenleving eruit ziet.
Ja, ik denk heus wel dat de WMO-consulent een uitzondering was en dat Schippers en Van Rijn wél weten wat de voedselbank inhoudt. Maar kom het nou eens BELEVEN…. dan ga je het ook anders zien!

Het papier verstopt de werkelijkheid

Ik ga later deze week nóg een keer terugkomen op die ‘materiële controle’ waar ik eerder over sprak, en waarbij op ranzige manier duidelijk wordt dat partijen elkaar de bal toespelen (WMO, WLZ, ZVW) en dat het daarmee de goedbedoelende zorgaanbieder onmogelijk wordt gemaakt om goede zorg te kunnen (blijven) leveren.
Vandaag een zijsprongetje op dat thema.

Ik sprak vandaag iemand die belast is met het ‘schoonmaakonderhoud’ van een zwembadcomplex. ‘Wat heeft dat er nu mee te maken’ zie ik u vragen. Nou… niks.
Behalve dan één ding:
Bij dat onderhoud moeten alle kleedhokjes en toiletten op een voorgeschreven manier met een voorgeschreven frequentie gereinigd worden. Dat gaat heel lang goed.
Dan komt er nieuwe regelgeving (zal wel iets met besmettingsrisico te maken hebben) dat je moet AANTONEN dat het is gedaan. Dus er komen aftekenlijsten.
Dat is niet helemaal genoeg: die aftekenlijsten worden uitgebreid met een soort ‘rapportage’: wat trof je aan, hoe heb je het opgelost.
Onderhand vinden er voortdurend bezuinigingen plaats. Steeds minder personeel. Het knelt steeds meer.
Uiteindelijk is het werk domweg niet meer te doen door zo weinig mensen in de voorgeschreven geringe tijd.

De oplossing is dáár: het feitelijke werk wordt niet meer gedaan, maar de lijsten worden nog wel afgetekend. Anders gezegd: de ‘onderhoudsvrouw’ gaat erheen, tekent de lijsten af, en is klaar met haar taak. Pas als er iemand klaagt (‘dit hokje is wel erg smerig’) dan wordt het terstond schoongemaakt én wordt gezegd: “De lijsten zijn in orde, dus het is gedaan. Blijkbaar een incidentje waarbij het nét tussendoor bevuild is”.
We noemen dit ‘windowdressing’: op papier prima geregeld, en het papier verstopt de werkelijkheid.

Er zijn meerdere opties die de leiding voor mogelijkheden heeft:
1. Men wantrouwt het eigen personeel en legt druk op.
2. Men vertrouwt het personeel, gaat hier niet in mee en geeft een signaal naar buiten af.
3. Men denkt ‘als het voor de inspectie maar op orde is dan maakt de werkelijkheid niet uit’. Dit laatste is hier het geval. De ‘morele druk’ of morele dilemma’s worden genegeerd.

Dit is een reëel voorbeeld van een zwemcomplex. Maar feitelijk gaat het in de zorg precies zo: schrijf het wél goed op (niet te veel, niet te weinig) en teken je lijsten af. Hoe je om gaat met het ‘knellen’ in de tijd, daar maken we ons niet druk om. Onderaan de streep staan groene cijfers, dus niets aan de hand!
In het éne voorbeeld gaat het om tegelvloeren, in het ander om mensen, om zorg, om zorgvuldigheid. Maar er is nauwelijks verschil.
Morgen een verhaal waarmee ik niet zeg ‘vroeger was alles beter’ maar waarbij ik wél enkele lekker ouderwetse zorgaspecten naar voren haal die 100% kwaliteit borgen (maar wel TIJD kosten)